Spreuken 26:23

Statenvertaling (States Bible)

Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Luk 11:39 : 39 En de Heere zeide tot hem: Nu gij Farizeen, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.
  • Luk 22:47-48 : 47 En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen. 48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?
  • 2 Sam 20:9-9 : 9 En Joab zeide tot Amasa: Is het wel met u, mijn broeder? En Joab vatte met de rechterhand den baard van Amasa, om hem te kussen. 10 En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broeder Abisai, Seba, den zoon van Bichri, achterna.
  • Spr 10:18 : 18 Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
  • Spr 25:4 : 4 Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;
  • Ezech 33:31 : 31 En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
  • Matt 23:27 : 27 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 26:24-26
    3 verzen
    79%

    24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.

    25Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.

    26Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.

  • Spr 26:21-22
    2 verzen
    76%

    21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.

    22De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

  • 27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

  • Spr 17:3-4
    2 verzen
    75%

    3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.

    4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

  • 20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.

  • 2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.

  • 28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

  • 4Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

  • 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • 18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

  • 6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.

  • Ps 12:2-3
    2 verzen
    70%

    2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

    3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

  • Spr 18:7-8
    2 verzen
    70%

    7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

    8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

  • 7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.

  • 3Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.

  • 22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.

  • 3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

  • 32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.

  • 11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

  • 20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • Rom 3:13-14
    2 verzen
    69%

    13Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

    14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

  • 15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

  • 21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.

  • 29De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen niet afgetrokken zijn.

  • 6De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

  • 18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;

  • 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

  • 30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 21De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.

  • 11Stel hem daarna ledig op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.

  • 2Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.

  • 7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.

  • 22Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.

  • 68%

    9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

  • 3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.

  • 23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.

  • 23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.

  • 22Gelijk het zilver in het midden des ovens gesmolten wordt, alzo zult gijlieden in het midden van haar gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb.

  • 26Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.

  • 14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.