Spreuken 9:17
De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.
18Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
5Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;
12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
17Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.
3Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
6Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;
7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;
8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
15Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
19De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.
18Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
1Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.
17Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
7Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.
6Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;