Job 31:27

Statenvertaling (States Bible)

En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 11:16 : 16 Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;
  • Deut 13:6 : 6 Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het heimelijke, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen;
  • 1 Kon 19:18 : 18 Ook heb Ik in Israel doen overblijven zeven duizend, alle knieen, die zich niet gebogen hebben voor Baal, en allen mond, die hem niet gekust heeft.
  • Ps 2:12 : 12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
  • Jes 44:20 : 20 Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?
  • Hos 13:2 : 2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.
  • Rom 1:21 : 21 Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
  • Rom 1:28 : 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 31:24-26
    3 verzen
    79%

    24Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;

    25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;

    26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;

  • 7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;

  • Job 31:9-10
    2 verzen
    78%

    9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;

    10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!

  • Job 31:28-30
    3 verzen
    78%

    28Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.

    29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;

    30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).

  • 5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;

  • 74%

    3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.

  • 12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

  • 33Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!

  • Ps 17:3-4
    2 verzen
    73%

    3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.

    4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

  • 32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

  • 21Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;

  • 1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?

  • 4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • Job 29:3-4
    2 verzen
    72%

    3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;

    4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

  • 3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.

  • 11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

  • 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • 13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

  • 5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

  • 15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

  • 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.

  • 13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.

  • 4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!

  • 3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.

  • 3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

  • Job 23:11-12
    2 verzen
    70%

    11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

    12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.

  • 1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.

  • 16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.

  • 2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

  • 22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.

  • 16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.

  • 13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

  • 1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

  • 3Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.

  • 16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 6Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.

  • 25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.

  • 37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.

  • 20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!