Job 31:27
En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;
25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
28Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
33Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
21Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;
1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.
3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
3Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.
21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
6Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!