Job 31:1
Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
51Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.
9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
28Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.
31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
3Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
3En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.
24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
2Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
2Wanneer een man den HEERE een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen.
3Maar als een vrouw den HEERE een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis haars vaders in haar jonkheid zal verbonden hebben;
23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.
1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
37En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaanieten, in welker land ik wone;
13Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
15Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de drekgoden van het huis Israels, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt;
19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
10Nu is het in mijn hart een verbond te maken met den HEERE, den God Israels, opdat de hitte Zijns toorns van ons afkere.
2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
1Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.