Job 42:5
Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
8Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
18Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.
6En ik heb hun woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd; gij hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.
20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
30Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.
8Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
12Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
6Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
11Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
2O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
4Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.
14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
7Ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; gij hebt met wijsheid, en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.
4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.