Spreuken 3:22
Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
3Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
18Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;
3Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
2Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
11Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
10Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.