Spreuken 4:12
In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.
25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
4Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
11Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
12Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
11En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
5Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
24Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.
3Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
8Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.
7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
13Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
2Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
14Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vrezen; en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken.