2 Samuël 22:37

Statenvertaling (States Bible)

Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 4:12 : 12 In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
  • 1 Sam 2:9 : 9 Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.
  • Ps 4:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
  • Ps 17:5 : 5 Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
  • Ps 18:36 : 36 Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
  • Ps 94:18 : 18 Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.
  • Ps 121:3 : 3 Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 18:35-39
    5 verzen
    96%

    35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

    36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

    37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

    38Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.

    39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

  • Ps 17:4-5
    2 verzen
    84%

    4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

    5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 8Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;

  • 81%

    33God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.

    34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

    35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

    36Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.

  • 18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.

  • 8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.

  • Ps 18:32-33
    2 verzen
    79%

    32Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?

    33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

  • 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • 2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

  • 12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.

  • 16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!

  • 13O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

  • 77%

    38Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.

    39En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.

    40Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

    41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.

  • 23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

  • 27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

  • 20En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

  • 30Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.

  • 13Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.

  • 29Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

  • 1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

  • 31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.

  • 133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

  • 2Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.

  • 23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.

  • 26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

  • 19De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.

  • 12Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.

  • 19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.

  • 9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.

  • 22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

  • 16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.

  • 21Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

  • 19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.