Psalmen 17:5

Statenvertaling (States Bible)

Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 18:36 : 36 Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
  • Ps 119:133 : 133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
  • Ps 44:18 : 18 Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.
  • Ps 119:116-117 : 116 Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope. 117 Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
  • Ps 121:3 : 3 Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
  • Ps 121:7 : 7 De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
  • Jer 10:23 : 23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
  • Ps 38:16 : 16 Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
  • 1 Sam 2:9 : 9 Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.
  • Job 23:11 : 11 Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
  • Ps 94:18 : 18 Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • 37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

  • 36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

  • 4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

  • 26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

  • 18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.

  • 2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

  • 133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

  • 5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!

  • Spr 4:11-12
    2 verzen
    77%

    11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.

    12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.

  • 4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

  • 27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

  • 1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

  • 101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

  • Job 31:4-5
    2 verzen
    76%

    4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

    5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;

  • 23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

  • 11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • 23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

  • 31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.

  • 16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!

  • 16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.

  • 8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.

  • 7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;

  • 13O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

  • 33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

  • 3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.

  • 16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.

  • 22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

  • 117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.

  • 9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.

  • 105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

  • 10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.

  • 9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

  • 34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

  • 8Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.

  • 26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

  • 4Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.

  • 1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.

  • 74%

    8Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.

  • 9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

  • 3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.

  • 168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.

  • 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

  • 19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.