Psalmen 139:3
Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
2Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
8Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
13Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
14Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
15Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
16Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
17Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
18Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
24En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.
3Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
8Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.
23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.
37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
3Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
8Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
4Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.