Psalmen 139:2
Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
8Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
13Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
14Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
15Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
16Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
17Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
18Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
24En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
3Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.
3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.
8Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!
13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
19Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
5Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
20En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere HEERE!
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
2Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.
12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
6Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.
9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
15O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.
14Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.