Hebreeën 12:13
En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieen;
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
14Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;
15Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.
3Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieen vast.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
45En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
19Of een man, in wien een breuk des voets, of een breuk der hand zal zijn;
1Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
6Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
8En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.
12Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.
8Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
12Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
19Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.
4Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
5Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten weg worden, en de oneffen tot effen wegen.
15En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;
21Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
15Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
13Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
13Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven.
4Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
19En ik bid u te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden.
10Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten! En hij sprong op en wandelde.
18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
14En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg Mijns volks.
10Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.
5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.
15Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?
22Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig.
21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
13Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.
11Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.
17Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.