Efeziërs 5:15
Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.
17Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
18En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;
5Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende.
14Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
17Ik zeg dan dit, en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds.
6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
6Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
7Zo zijt dan hun medegenoten niet.
8Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
18Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
19Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
1Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
13Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
12Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
15Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.
7(Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)
14De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
25Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.
7In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.
15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
35Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij.
21Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
4Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
6Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;
16En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.
17Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
2En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.
12Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
34Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.