Spreuken 9:6
Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
5Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
15Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.