Psalmen 19:11
Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
12Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
11Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
13Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
19Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
23Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
100Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
9Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;