Spreuken 2:1
Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.