Job 41:22

Statenvertaling (States Bible)

Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 39:19 : 19 Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
  • Job 40:16 : 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.
  • Hos 13:14 : 14 Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,
  • 1 Kor 15:55-57 : 55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? 56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.

  • 21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

  • Job 39:19-23
    5 verzen
    75%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

    22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?

    23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

  • Job 40:16-18
    3 verzen
    74%

    16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

    17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

    18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

  • Job 15:26-27
    2 verzen
    73%

    26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.

    27Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;

  • Job 18:11-14
    4 verzen
    72%

    11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

    12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.

    13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.

    14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.

  • 22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.

  • 24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.

  • Job 33:19-21
    3 verzen
    71%

    19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

    20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;

    21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;

  • 25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.

  • Job 20:25-26
    2 verzen
    71%

    25Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.

    26Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.

  • Job 20:13-14
    2 verzen
    71%

    13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

    14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

  • Job 41:14-15
    2 verzen
    70%

    14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.

    15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.

  • 9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.

  • 21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

  • 21Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.

  • 22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.

  • 19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.

  • 23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?

  • 17Ziet, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal der dagen zijns levens, hetwelk God hem geeft; want dat is zijn deel.

  • 5Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

  • 4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

  • 12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.

  • 30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.

  • 24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

  • 20

  • 1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

  • 4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • 11Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

  • 18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • 13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.

  • 8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.