Job 41:23
Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
26
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
17Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.
17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.
18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;
21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;
24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.
27Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;
28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.
5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
20Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.
28
11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;
23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.
30
14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.
12Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?
12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
7Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?