Psalmen 102:5

Statenvertaling (States Bible)

Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 19:20 : 20 Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
  • Ps 6:8 : 8 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
  • Spr 17:22 : 22 Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
  • Klaagl 4:8 : 8 Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.
  • Ps 32:3-4 : 3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. 4 Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
  • Ps 38:8-9 : 8 Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees. 9 Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten. 10 HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.
  • Ps 6:6 : 6 Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  • 20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

  • Ps 102:2-4
    3 verzen
    81%

    2O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.

    3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.

    4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.

  • 5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.

  • Ps 22:14-15
    2 verzen
    80%

    14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

    15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

  • Job 30:16-19
    4 verzen
    79%

    16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

    17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.

    18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

    19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • Ps 31:9-10
    2 verzen
    79%

    9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.

    10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;

  • 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  • Job 30:30-31
    2 verzen
    78%

    30Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.

    31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.

  • 7Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.

  • Ps 38:2-3
    2 verzen
    77%

    2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.

    3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.

  • 17Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.

  • 24Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.

  • 76%

    2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

  • 6Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.

  • Ps 38:6-10
    5 verzen
    76%

    6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.

    7Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.

    8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.

    9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.

    10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.

  • 11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

  • 11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 15Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.

  • 8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

  • 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

  • 20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

  • 25Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

  • 9Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.

  • 3Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • 25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.

  • 19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

  • 7Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.

  • 16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

  • 7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.

  • 22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!

  • 6Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.