Job 16:15
Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.
Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.
18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.
12Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.
13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.
14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.
6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.
9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.
16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
11En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.
8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.
9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.
10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.
15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.
9Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
13Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.
14Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
30Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.
31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
15Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.
6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.
7Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.
10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
8Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.
20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
3Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.
10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
36Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
19O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.