Job 33:19
Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;
21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;
22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.
17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.
18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
18Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.
4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
3De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.
11Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.
17Ziet, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal der dagen zijns levens, hetwelk God hem geeft; want dat is zijn deel.
14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.
10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
20Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.
13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.
2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
20Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.
3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.
6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
7Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.
18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;
18Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.
3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
35Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!