Job 18:12
Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.
14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.
6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.
9De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.
10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.
11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.
23Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.
24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.
19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;
21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;
22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.
22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.
23Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.
24Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.
25Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.
26Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.
20Manasse Efraim, en Efraim Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
24Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des stofs.
25Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.
21Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.
15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.
26En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.
17Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.
16Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.
30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
20Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
14Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
28En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.
15Het zwaard is buiten, en de pest, en de honger van binnen; die op het veld is, zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal de honger en de pest verteren.
5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
15Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.
13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.
14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
9En hij zal muurbrekers tegen uw muren stellen, en uw torens met zijn zwaarden afbreken.
16Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.
10En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
14Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.
55Dat hij niet aan een van die zal geven van het vlees zijner zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.
34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.