Job 13:28

Statenvertaling (States Bible)

En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 4:19 : 19 Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
  • Ps 39:11 : 11 Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
  • Hos 5:12 : 12 Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot, en den huize van Juda als een verrotting.
  • Job 30:17-19 : 17 Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet. 18 Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks. 19 Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
  • Job 30:29-30 : 29 Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen. 30 Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.
  • Num 12:12 : 12 Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 12Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot, en den huize van Juda als een verrotting.

  • Job 13:26-27
    2 verzen
    77%

    26Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.

    27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

  • Job 33:21-22
    2 verzen
    76%

    21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;

    22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.

  • Job 7:5-6
    2 verzen
    76%

    5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.

    6Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.

  • Job 30:18-19
    2 verzen
    75%

    18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

    19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • 2Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden;

  • 8Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.

  • 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  • 11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

  • 3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • Jes 38:12-13
    2 verzen
    73%

    12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.

    13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben.

  • 18Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • Job 16:8-9
    2 verzen
    73%

    8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

    9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

  • 9Ziet, de Heere HEERE helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen altemaal als een kleed verouden, die mot zal hen eten.

  • 28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.

  • Job 4:19-20
    2 verzen
    72%

    19Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.

    20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

  • Job 18:12-13
    2 verzen
    72%

    12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.

    13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.

  • 19Maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.

  • 15Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.

  • 10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.

  • Job 16:13-15
    3 verzen
    72%

    13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

    14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.

    15Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.

  • Ps 22:13-15
    3 verzen
    71%

    13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

    14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

    15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

  • 16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

  • 14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

  • 11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • 18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

  • 8Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:

  • 5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

  • Ps 39:10-11
    2 verzen
    71%

    10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

    11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.

  • 11Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;

  • 11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

  • 19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

  • 11En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;

  • 17De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.