Job 13:26

Statenvertaling (States Bible)

Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 25:7 : 7 Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!
  • Ps 88:3-9 : 3 Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei. 4 Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. 5 Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; 6 Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. 7 Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. 8 Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela. 9 Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen. 10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U. 11 Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12 Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? 13 Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid? 14 Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond. 15 HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? 16 Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. 17 Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. 18 Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. [ (Psalms 88:19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. ]
  • Spr 5:11-13 : 11 En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; 12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! 13 En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
  • Jer 31:19 : 19 Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
  • Joh 5:5 : 5 En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.
  • Joh 5:14 : 14 Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.
  • Ruth 1:20 : 20 Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.
  • Job 3:20 : 20 Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
  • Job 20:11 : 11 Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

  • Job 16:7-8
    2 verzen
    77%

    7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

    8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

  • Job 13:23-25
    3 verzen
    77%

    23Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.

    24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

    25Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?

  • Job 14:16-17
    2 verzen
    77%

    16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.

    17Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.

  • 14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.

  • 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  • Job 33:10-11
    2 verzen
    75%

    10Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.

    11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • Job 7:20-21
    2 verzen
    74%

    20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

    21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

  • Job 10:16-17
    2 verzen
    74%

    16Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.

    17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

  • 17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.

  • 73%

    13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

    14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.

  • 12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.

  • 17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.

  • 4Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!

  • 21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

  • 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 18Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw boosheid, dat het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt.

  • 23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.

  • 22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • 3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • 43Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heere HEERE; en gij zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen.

  • 4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.

  • 3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 26Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.

  • 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

  • 7Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!

  • 22Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uwer ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.

  • 4Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.

  • 2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.

  • 8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

  • 3Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.

  • 3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.

  • 11Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

  • 71%

    16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

    17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  • 8Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.