Job 9:18

Statenvertaling (States Bible)

Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 7:19 : 19 Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?
  • Klaagl 3:15 : 15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
  • Klaagl 3:18-19 : 18 Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE. 19 Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.
  • Heb 12:11 : 11 En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.
  • Job 3:20 : 20 Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
  • Job 27:2 : 2 Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
  • Ps 39:13 : 13 Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]
  • Ps 88:7 : 7 Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
  • Ps 88:15-18 : 15 HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? 16 Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. 17 Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. 18 Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. [ (Psalms 88:19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. ]
  • Klaagl 3:3 : 3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

  • 79%

    15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

    16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

  • 11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

  • 1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • Job 16:12-14
    3 verzen
    76%

    12Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.

    13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

    14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.

  • Klaagl 3:4-7
    4 verzen
    75%

    4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

    5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

    6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

    7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  • 19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

  • 19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • Job 19:8-9
    2 verzen
    74%

    8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

    9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

  • 3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;

  • 19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

  • Ps 143:3-4
    2 verzen
    74%

    3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

    4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

  • 22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

  • Job 16:7-9
    3 verzen
    73%

    7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

    8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

    9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

  • 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.

  • 15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • 9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

  • 4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

  • 10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • Job 6:9-10
    2 verzen
    72%

    9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

    10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.

  • 18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

  • 11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

  • 19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

  • 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?