Job 41:15

Statenvertaling (States Bible)

Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jer 9:23 : 23 Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
  • Opb 5:2-3 : 2 En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken? 3 En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.
  • Opb 5:5 : 5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 41:16-25
    10 verzen
    83%

    16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.

    17Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.

    18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.

    19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.

    20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.

    21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

    22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

    23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.

    24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.

    25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.

  • Job 41:12-14
    3 verzen
    79%

    12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.

    13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.

    14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.

  • Job 41:6-7
    2 verzen
    73%

    6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.

    7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

  • Job 40:16-18
    3 verzen
    72%

    16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

    17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

    18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

  • Job 41:1-2
    2 verzen
    71%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

  • 10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.

  • Job 41:30-32
    3 verzen
    69%

    30

    31

    32

  • Job 26:12-13
    2 verzen
    69%

    12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

    13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.

  • 34

  • 24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • Job 15:26-27
    2 verzen
    69%

    26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.

    27Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;

  • Job 39:20-21
    2 verzen
    69%

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 34Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?

  • 8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

  • 6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.

  • 25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.

  • 15Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.

  • 14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.

  • Job 37:7-8
    2 verzen
    67%

    7Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.

    8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  • 1Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.

  • 10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  • 30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

  • 17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;

  • 13Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

  • 7Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!

  • 10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

  • 24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.

  • 13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

  • 12Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.