Job 41:6

Statenvertaling (States Bible)

Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Richt 14:11 : 11 En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 41:1-5
    5 verzen
    83%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

    3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.

    4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?

    5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.

  • Job 41:7-8
    2 verzen
    81%

    7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

    8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.

  • Job 38:39-40
    2 verzen
    71%

    39

    40

  • Hab 1:14-17
    4 verzen
    71%

    14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

    15Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.

    16Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want door dezelve is zijn deel vet geworden, en zijn spijze smoutig.

    17Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden?

  • 15Alzo zullen zij u zijn, met dewelke gij gearbeid hebt, uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen.

  • 22Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?

  • 26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.

  • 27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.

  • 24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 3Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.

  • Job 39:9-12
    4 verzen
    67%

    9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

    11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

    12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?

  • 7Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?

  • 8En de vissers zullen treuren, en allen, die den angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen.

  • 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • 13Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij, om buit te buiten? hebt gij uw vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een groten buit te buiten?

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • 67%

    4Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe?

  • 21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

  • 21Arabie en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.

  • 19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?

  • 15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

  • 9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?

  • Job 41:15-16
    2 verzen
    66%

    15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.

    16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.

  • 66%

    7Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.

  • 12Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?

  • 3Daarom zal het land treuren, en een iegelijk, die daarin woont, kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja, ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden.

  • 34Ten tijde, dat gij uit de zeeen verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw ganse gemeente in het midden van u gevallen.

  • 16Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.

  • 31

  • 40Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.

  • 22En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.

  • 10En zij zullen met hun fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken.

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 9De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.

  • Job 41:12-13
    2 verzen
    65%

    12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.

    13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.