Job 13:9
Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
10Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
4Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.
3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
11Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
7Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
28Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?