Job 34:7
Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
4Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
37Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
6Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
1Maar Job antwoordde en zeide:
10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
24Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
1Maar Job antwoordde en zeide:
20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
1Maar Job antwoordde en zeide:
7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
1Maar Job antwoordde en zeide:
3En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
7Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
8Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.
7Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
2Want Job antwoordde en zeide:
18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?