Job 27:1
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
2Want Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
2Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
1Elihu ging nog voort, en zeide:
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
8Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
37Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: