Job 3:1
Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Want Job antwoordde en zeide:
3De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;
4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;
8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;
9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
14Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
9Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf.
6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
11Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
5Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.
18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
9Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.
10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
13Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
7Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.