Job 35:16
Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
37Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
15Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
2Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
1Maar Job antwoordde en zeide:
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
2Want Job antwoordde en zeide:
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
11Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
8Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
1Maar Job antwoordde en zeide:
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
3Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het.
1Maar Job antwoordde en zeide:
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.