Job 21:1
Maar Job antwoordde en zeide:
Maar Job antwoordde en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
2Want Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
10Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
1Elihu ging nog voort, en zeide:
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
1Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.
14Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.