Romeinen 3:14

Statenvertaling (States Bible)

Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 10:7 : 7 Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
  • Ps 59:12 : 12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!
  • Ps 109:17-18 : 17 Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem. 18 En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
  • Jak 3:10 : 10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • Rom 3:15-16
    2 verzen
    82%

    15Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;

    16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;

  • 79%

    9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

  • 3Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.

  • 12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

  • 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 3Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.

  • Jak 3:8-10
    3 verzen
    77%

    8Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.

    9Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

    10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.

  • 2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.

  • 29Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;

  • 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  • 4De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.

  • 2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

  • 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 34Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.

  • 12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

  • 14Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking;

  • 65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!

  • 15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

  • 5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.

  • 6De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

  • 4Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.

  • 12Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;

  • 33Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.

  • 16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

  • 11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;

  • 31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

  • 14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

  • 28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

  • 11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

  • 10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.

  • Ps 109:17-18
    2 verzen
    72%

    17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

    18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

  • 9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

  • 14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.

  • 8Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.

  • 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

  • 14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;

  • 3Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.

  • 7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.

  • 8Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • 4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • 3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.