Job 6:5

Statenvertaling (States Bible)

Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 42:1 : 1 Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
  • Ps 104:14 : 14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
  • Jer 14:6 : 6 En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.
  • Joël 1:18-20 : 18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest. 19 Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken. 20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Jer 14:5-6
    2 verzen
    76%

    5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

    6En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.

  • Job 39:5-10
    6 verzen
    75%

    5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?

    6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

    7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

    8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

    9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

  • 6Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?

  • 18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.

  • 72%

    4Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe?

  • 11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

  • 1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

  • Job 39:19-21
    3 verzen
    71%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 12Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.

  • 5Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.

  • Job 38:39-40
    2 verzen
    70%

    39

    40

  • 15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 12Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.

  • 24En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan.

  • 13Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

  • 11Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?

  • 9Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?

  • 4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • 24Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden.

  • 24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 7Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.

  • 3Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.

  • 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

  • 20Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait; gij, die den voet des osses en des ezels derwaarts henenzendt!

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • 16Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.

  • 14Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.

  • 68%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  • 4Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.

  • 30De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke gij gereden hebt van toen af, dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewend geweest u alzo te doen? Hij dan zeide: Neen!

  • 33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  • 11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?

  • 3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.

  • 10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

  • 38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;

  • 3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.