Job 41:3
Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
10Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
39
4Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
29Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!