Job 4:2
Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
4Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.