Job 13:3
Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
36Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
2Want Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: