Job 33:32
Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
1Maar Job antwoordde en zeide:
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.