Job 33:32

Statenvertaling (States Bible)

Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 15:4-5 : 4 Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg. 5 Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
  • Job 21:27 : 27 Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
  • Job 22:5-9 : 5 Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde? 6 Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen. 7 Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden. 8 Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin. 9 De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
  • Job 27:5 : 5 Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • Job 33:1-2
    2 verzen
    80%

    1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

    2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • Job 40:1-3
    3 verzen
    77%

    1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

    2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

    3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • Job 23:4-5
    2 verzen
    77%

    4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.

    5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • Job 40:7-8
    2 verzen
    76%

    7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

    8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • Job 32:11-12
    2 verzen
    75%

    11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.

    12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • Job 13:18-19
    2 verzen
    75%

    18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

    19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.

  • 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.

  • 5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

  • 36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.

  • 17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.

  • 3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.

  • 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • 20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.

  • 15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.

  • 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

  • 3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

  • 4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.

  • 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

  • 1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

  • 13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

  • 3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?

  • 7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.