Job 13:4

Statenvertaling (States Bible)

Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 119:69 : 69 De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
  • Jer 8:22 : 22 Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen?
  • Jer 46:11 : 11 Ga henen op naar Gilead, en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt gij de medicijnen, er is geen heling voor u.
  • Job 16:2 : 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
  • Job 18:5-9 : 5 Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. 6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. 7 De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen. 8 Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. 9 De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen. 10 Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11 De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten. 12 Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde. 13 De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren. 14 Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen. 15 Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden. 16 Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17 Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. 18 Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19 Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. 20 Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. 21 Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
  • Job 21:27-34 : 27 Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet. 28 Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen? 29 Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet? 30 Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden. 31 Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden? 32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop. 33 De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal. 34 Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
  • Job 22:6-9 : 6 Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen. 7 Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden. 8 Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin. 9 De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld. 10 Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd. 11 Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u. 12 Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn. 13 Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen? 14 De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen. 15 Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben? 16 Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; 17 Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan? 18 Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij. 19 De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen; 20 Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft. 21 Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. 22 Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. 23 Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten. 24 Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken; 25 Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn; 26 Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen. 27 Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen. 28 Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen. 29 Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden. 30 Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.
  • Ex 20:16 : 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
  • Job 4:7-9 : 7 Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd? 8 Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve. 9 Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. 10 De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken. 11 De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
  • Job 5:1-5 : 1 Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? 2 Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte. 3 Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning. 4 Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser. 5 Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
  • Job 6:21 : 21 Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.
  • Job 8:3-4 : 3 Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren? 4 Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.
  • Ezech 34:4 : 4 De zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardigheid.
  • Hos 5:13 : 13 Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.
  • Marc 2:17 : 17 En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
  • Marc 5:26 : 26 En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;
  • Jer 23:32 : 32 Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.
  • Jer 30:13 : 13 Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.
  • Jer 6:14 : 14 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.

  • 8Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.

  • 12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

  • Jes 59:3-4
    2 verzen
    70%

    3Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.

    4Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid.

  • 7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?

  • 4Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valsheid?

  • 13Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.

  • Job 11:3-4
    2 verzen
    69%

    3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

    4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.

  • Ezech 13:6-8
    3 verzen
    69%

    6Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De HEERE heeft gesproken, daar de HEERE hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.

    7Ziet gij niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De HEERE spreekt, daar Ik niet gesproken heb?

    8Daarom zo zegt de Heere HEERE: omdat gijlieden ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heere HEERE.

  • 34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?

  • 2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 22Omdat gijlieden het hart des rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat gij de handen des goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn bozen weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • 6Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.

  • 28Zij zijn allen de afvalligsten der afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn altemaal verdervers.

  • 3En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen; zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de HEERE.

  • 24Ziet, gijlieden zijt minder dan niet, en ulieder werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest.

  • Jer 9:5-6
    2 verzen
    67%

    5En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.

    6Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.

  • Jer 6:13-14
    2 verzen
    67%

    13Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.

    14En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.

  • 11Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.

  • 6Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.

  • 8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.

  • 19En zult gij Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken broods, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort?

  • Ps 52:3-4
    2 verzen
    66%

    3Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.

    4Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.

  • 27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 15Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.

  • 2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

  • 5Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.

  • 9Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.

  • 13Het overtreden en het liegen tegen den HEERE, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.

  • 17Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?

  • 4Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.

  • 4De zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardigheid.

  • 8Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.

  • Mal 3:13-14
    2 verzen
    65%

    13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?

    14Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des HEEREN der heirscharen?

  • 17Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.

  • 18Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?

  • 10Wie formeert een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?

  • 21Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.

  • 12Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.