Job 16:2

Statenvertaling (States Bible)

Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 13:4-5 : 4 Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters. 5 Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
  • Job 19:2-3 : 2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.
  • Job 26:2-3 : 2 Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is? 3 Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
  • Ps 69:26 : 26 Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
  • Fil 1:16 : 16 Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, menende aan mijn banden verdrukking toe te brengen;
  • Jak 1:19 : 19 Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
  • Job 6:6 : 6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?
  • Job 6:25 : 25 O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
  • Job 11:2-3 : 2 Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? 3 Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • Job 16:3-7
    5 verzen
    77%

    3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?

    4Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?

    5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.

    6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

    7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

  • Job 21:1-2
    2 verzen
    75%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

  • Job 19:1-3
    3 verzen
    74%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

    3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

  • 34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

  • Job 6:1-2
    2 verzen
    73%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!

  • Job 23:1-2
    2 verzen
    73%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

  • 11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • Job 42:6-7
    2 verzen
    71%

    6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.

    7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 16Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.

  • 20Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

  • 16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.

  • 3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

  • 2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

  • 10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

  • 20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.

  • 15Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

  • 19Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wien zal Ik u troosten?

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: