Spreuken 30:6

Statenvertaling (States Bible)

Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 4:2 : 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.
  • Deut 12:32 : 32 Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.
  • Opb 22:18-19 : 18 Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. 19 En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.
  • Job 13:7-9 : 7 Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken? 8 Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten? 9 Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
  • 1 Kor 15:15 : 15 En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 2Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.

  • 10Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.

  • 6Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!

  • 5Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.

  • 7Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:

  • 2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.

  • 6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.

  • 21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.

  • Spr 26:4-5
    2 verzen
    72%

    4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

    5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

  • 16Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

  • 28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?

  • Spr 10:18-19
    2 verzen
    72%

    18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

    19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 18Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.

  • 5Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.

  • 32Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.

  • 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • 6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

  • Spr 23:8-9
    2 verzen
    71%

    8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.

    9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

  • 2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

  • 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

  • 3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

  • 9Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.

  • 8Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.

  • 5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.

  • 1Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.

  • 7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.

  • 24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

  • 17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?

  • 4Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt.

  • 2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • 7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?

  • 31Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.

  • 25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?

  • 20En gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

  • 25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

  • 4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

  • 6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.

  • 7Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

  • 32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

  • 12Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.

  • 3Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.

  • 13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.