Job 15:4
Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
17Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.
44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?
11Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?
34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
21Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
4Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.
13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.
9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?
11Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
22Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.
17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
14Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;
25Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van ulieden.