Job 6:14

Statenvertaling (States Bible)

Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 17:17 : 17 Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
  • Luk 23:40 : 40 Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
  • Rom 12:15 : 15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.
  • 1 Kor 12:26 : 26 En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.
  • 2 Kor 11:29 : 29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geergerd, dat ik niet brande?
  • Gal 6:2 : 2 Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.
  • Heb 13:3 : 3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart.
  • Gen 20:11 : 11 En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
  • Job 4:3-5 : 3 Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt; 4 Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld; 5 Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
  • Job 15:4 : 4 Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
  • Job 16:5 : 5 Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
  • Job 19:21 : 21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.
  • Ps 36:1-3 : 1 Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. 2 De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. 3 Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

  • Job 19:13-14
    2 verzen
    74%

    13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

    14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

  • 27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.

  • 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • Job 16:20-21
    2 verzen
    72%

    20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.

    21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.

  • 3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.

  • Ps 35:14-15
    2 verzen
    71%

    14Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.

    15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

  • 24Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!

  • 7Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn.

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • 15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.

  • 16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.

  • 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  • 10Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.

  • 15Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;

  • 11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

  • Spr 14:20-21
    2 verzen
    70%

    20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.

    21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.

  • Spr 17:17-18
    2 verzen
    70%

    17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

    18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.

  • 25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

  • 11Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.

  • 16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.

  • 24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.

  • 6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

  • 16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

  • 10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.

  • 19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 20Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

  • 9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?

  • 8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;

  • 5Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.

  • 11Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.

  • 9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.

  • 14Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.

  • 1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;

  • 10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!

  • 13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.

  • 9Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.

  • 5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;

  • 11Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.

  • 16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

  • 18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.