Psalmen 74:11

Statenvertaling (States Bible)

Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Klaagl 2:3 : 3 Gimel. Hij heeft, in ontsteking des toorns, den gehelen hoorn Israels afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.
  • Ps 44:23 : 23 Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
  • Ps 78:65-66 : 65 Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn. 66 En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
  • Jes 64:12 : 12 HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 17Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.

  • 10Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 13Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 12Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.

  • 7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!

  • 12Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!

  • 6Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.

  • 5De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.

  • 6O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!

  • 5Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

  • 16De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.

  • Ps 144:7-8
    2 verzen
    73%

    7Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;

    8Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.

  • 1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?

  • 15O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,

  • 11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

  • 73%

    7En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weder als zijn ander vlees.

  • 4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

  • 1Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 5Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.

  • 14Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

  • 46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

  • 23Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;

  • 13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;

  • 23Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?

  • 2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

  • 7Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.

  • 11HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.

  • 8Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.

  • 10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.

  • 15Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • 27Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.

  • 8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.

  • 42Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

  • 2O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.

  • 11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

  • 8Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.

  • 9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  • 21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

  • 14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

  • 24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

  • 9En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.

  • 5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.

  • 19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?