Job 6:23

Statenvertaling (States Bible)

Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Lev 25:48 : 48 Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; een van zijn broeders zal hem lossen;
  • Neh 5:8 : 8 En ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederen, de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zoudt gijlieden ook uw broederen verkopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord.
  • Job 5:20 : 20 In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.
  • Ps 49:7-8 : 7 Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; 8 Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;
  • Ps 49:15 : 15 Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.
  • Ps 107:2 : 2 Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.
  • Jer 15:21 : 21 Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm der tirannen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 4Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.

  • 22Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?

  • 15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.

  • 18En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.

  • 11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

  • Ps 59:1-2
    2 verzen
    76%

    1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.

    2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.

  • 7Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;

  • 24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.

  • 18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

  • 21Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm der tirannen.

  • 6Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.

  • Ps 43:1-2
    2 verzen
    74%

    1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.

    2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.

  • 2Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.

  • 49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.

  • 17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

  • Job 23:6-7
    2 verzen
    74%

    6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.

    7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.

  • 7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

  • 6Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.

  • 11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.

  • 9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 48De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;

  • 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

  • 8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

  • 13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;

  • 20Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.

  • 73%

    3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.

  • 5Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

  • 9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

  • 4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

  • 73%

    4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

  • 4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.

  • 13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.

  • 26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.

  • 4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

  • 15Naar wien is de koning van Israel uitgegaan? Wien jaagt gij na? Naar een doden hond, naar een enige vlo!

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 13Zingt den HEERE, prijst den HEERE; want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost.

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.

  • 9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?

  • 21Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.