Psalmen 22:20
Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.
19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
21Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
2HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.
13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
18En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
4Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.
23Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?
3En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.
18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.
2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
4Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
20In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.
2Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.
15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
2Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.
3God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!
4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
5Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.
20Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.
21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
10Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;
13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
20En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
6Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.
9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
21Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.
13Zingt den HEERE, prijst den HEERE; want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost.
48De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.
4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
2Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.