Job 13:2
Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
2Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
2En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
18De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
55En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord.
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.
13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
4Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
5Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.