Job 13:2

Statenvertaling (States Bible)

Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 12:3 : 3 Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
  • Job 15:8-9 : 8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken? 9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
  • Job 34:35 : 35 Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
  • Job 35:16 : 16 Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
  • Job 37:2 : 2 Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
  • Job 40:4-5 : 4 Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen? 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
  • Job 42:7 : 7 Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
  • 1 Kor 8:1-2 : 1 Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.
  • 2 Kor 11:4-5 : 4 Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht. 5 Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.
  • 2 Kor 11:16-18 : 16 Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen. 17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in deze vasten grond der roeming. 18 Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.
  • 2 Kor 12:11 : 11 Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 12:1-3
    3 verzen
    84%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

    3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

  • 1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • Job 15:8-9
    2 verzen
    76%

    8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

    9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?

  • 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  • Job 42:1-5
    5 verzen
    71%

    1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

    2Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.

    3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

    4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

    5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.

  • 18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

  • 17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;

  • 3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.

  • 27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.

  • Job 27:11-12
    2 verzen
    70%

    11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.

    12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

  • 2En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.

  • 2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.

  • 7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

  • 6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.

  • 18De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.

  • 28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.

  • 55En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord.

  • 8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

  • 14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.

  • 13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.

  • Job 36:2-3
    2 verzen
    69%

    2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.

    3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.

  • 20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?

  • 4Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.

  • 6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

  • 12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.

  • 3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.

  • 2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

  • 5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

  • 2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

  • 10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.

  • 5Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.

  • 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

  • 13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.

  • 32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.