Job 41:2
Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
29Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
28Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
4Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en den vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.
9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
39
1Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.
2De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen.
12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
14Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.
26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
31
14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?
17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.
18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;
17En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.