Job 40:17

Statenvertaling (States Bible)

De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 41:23 : 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 40:18-21
    4 verzen
    82%

    18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

    19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

    20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

    21Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?

  • Job 40:15-16
    2 verzen
    82%

    15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

    16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

  • Job 41:21-24
    4 verzen
    73%

    21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

    22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

    23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.

    24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.

  • 15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.

  • Job 39:19-21
    3 verzen
    71%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 30

  • Job 41:27-28
    2 verzen
    69%

    27

    28

  • 7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

  • 17Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.

  • Ezech 31:7-8
    2 verzen
    68%

    7Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.

    8De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.

  • 26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.

  • 23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

  • Ps 29:5-6
    2 verzen
    67%

    5De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.

    6En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.

  • Job 41:1-2
    2 verzen
    67%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

  • Job 26:12-13
    2 verzen
    67%

    12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

    13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.

  • 67%

    14Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.

    15Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.

  • Job 41:18-19
    2 verzen
    67%

    18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.

    19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.

  • 9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

  • 30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

  • Job 40:23-24
    2 verzen
    66%

    23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?

    24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • 12De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.

  • 13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

  • 34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

  • 10Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.

  • 12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.

  • 12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.

  • 5Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.

  • 8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

  • 3Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.

  • 10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

  • 14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

  • 9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

  • 33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.